Fiche de révision : Verbes forts néerlandais

Plan du Cours

  1. Verbes forts de bakken à kiezen
  2. Verbes forts de kijken à lijden
  3. Verbes forts de lijken à stijgen
  4. Verbes forts de treffen à verliezen
  5. Verbes forts de vermijden à weten
  6. Verbes forts de wijzen à zwijgen

1. Verbes forts de bakken à kiezen

★ À maîtriser

  • Formes et sens des verbes forts : bakken = bakte, bakten, gebakken, cuire, barsten = barstte, barstten, gebarsten, éclater ou crever, bedriegen = bedroog, bedrogen, bedrogen, tromper, beginnen = begon, begonnen, begonnen, commencer, begrijpen = begreep, begrepen, begrepen, comprendre

Compléments

  • Formes et sens des verbes forts : bevelen = beval, bevalen, bevolen, ordonner, bewegen = bewoog, bewogen, bewogen, bouger, bezoeken = bezocht, bezochten, bezocht, visiter, bidden = bad, baden, gebeden, prier, bieden = bood, boden, geboden, offrir

  • Formes et sens des verbes forts :

    • bijten = beet, beten, gebeten, mordre
    • binden = bond, bonden, gebonden, lier
    • blijken = bleek, bleken, gebleken, s’avérer
    • blijven = bleef, bleven, gebleven, rester
    • breken = brak, braken, gebroken, casser
  • Formes et sens des verbes forts : brengen = bracht, brachten, gebracht, apporter, buigen = boog, bogen, gebogen, plier, denken = dacht, dachten, gedacht, penser, doen = deed, deden, gedaan, faire, dragen = droeg, droegen, gedragen, porter

  • Formes et sens des verbes forts :

    • drinken = dronk, dronken, gedronken, boire
    • duiken = dook, doken, gedoken, plonger
    • dwingen = dwong, dwongen, gedwongen, forcer
    • eten = at, aten, gegeten, manger
    • fluiten = floot, floten, gefloten, siffler
  • Formes et sens des verbes forts : gaan = ging, gingen, gegaan, aller, genezen = genas, genazen, genezen, guérir, genieten = genoot, genoten, genoten, jouir ou profiter, geven = gaf, gaven, gegeven, donner, gieten = goot, goten, gegoten, verser

2. Verbes forts de kijken à lijden

Points essentiels

  • Formes et sens des verbes forts :

    • glijden = gleed, gleden, gegleden, glisser
    • graven = groef, groeven, gegraven, creuser
    • grijpen = greep, grepen, gegrepen, saisir
    • hangen = hing, hingen, gehangen, pendre
    • hebben = had, hadden, gehad, avoir
  • Formes et sens des verbes forts :

    • helpen = hielp, hielpen, geholpen, aider
    • heten = heette, heetten, geheten, s’appeler
    • houden = hield, hielden, gehouden, tenir
    • kiezen = koos, kozen, gekozen, choisir
    • kijken = keek, keken, gekeken, regarder
  • Formes et sens des verbes forts :

    • klimmen = klom, klommen, geklommen, grimper
    • komen = kwam, kwamen, gekomen, venir
    • kopen = kocht, kochten, gekocht, acheter
    • krijgen = kreeg, kregen, gekregen, recevoir
    • kruipen = kroop, kropen, gekropen, ramper
  • Formes et sens des verbes forts : kunnen = kon, konden, (gekund), pouvoir (capacité), lachen = lachte, lachten, gelachen, rire, laden = laadde, laadden, geladen, charger, laten = liet, lieten, gelaten, laisser, lezen = las, lazen, gelezen, lire

  • Formes et sens des verbes forts : liegen = loog, logen, gelogen, mentir, liggen = lag, lagen, gelegen, être couché, lijden = leed, leden, geleden, souffrir, lijken = leek, leken, geleken, sembler, lopen = liep, liepen, gelopen, marcher ou courir

3. Verbes forts de lijken à stijgen

Points essentiels

  • Formes et sens des verbes forts : meten = mat, maten, gemeten, mesurer, moeten = moest, moesten, (gemoeten), devoir, mogen = mocht, mochten, (gemoogd), pouvoir (permission), nemen = nam, namen, genomen, prendre, ontbijten = ontbeet, ontbeten, ontbeten, déjeuner

  • Formes et sens des verbes forts : ontvangen = ontving, ontvingen, ontvangen, recevoir, raden = raadde, raadden, geraden, deviner, rijden = reed, reden, gereden, rouler, roepen = riep, riepen, geroepen, crier ou appeler, ruiken = rook, roken, geroken, sentir (odorat)

  • Formes et sens des verbes forts : scheiden = scheidde, scheidden, gescheiden, divorcer, scheren = schoor, schoren, geschoren, raser, schieten = schoot, schoten, geschoten, tirer (arme), schijnen = scheen, schenen, geschenen, sembler ou briller, schrijven = schreef, schreven, geschreven, écrire

  • Formes et sens des verbes forts : schrikken = schrok, schrokken, geschrokken, s’effrayer, slaan = sloeg, sloegen, geslagen, frapper ou battre, slapen = sliep, sliepen, geslapen, dormir, sluiten = sloot, sloten, gesloten, fermer, snijden = sneed, sneden, gesneden, couper

  • Formes et sens des verbes forts : spijten = speet, ----, gesp(e)ten, regretter, spreken = sprak, spraken, gesproken, parler, springen = sprong, sprongen, gesprongen, sauter, staan = stond, stonden, gestaan, être debout, steken = stak, staken, gestoken, mettre (dans)

  • Formes et sens des verbes forts :

    • stelen = stal, stalen, gestolen, voler
    • sterven = stierf, stierven, gestorven, mourir
    • stijgen = steeg, stegen, gestegen, monter
    • treffen = trof, troffen, getroffen, toucher
    • trekken = trok, trokken, getrokken, tirer

4. Verbes forts de treffen à verliezen

Points essentiels

  • Formes et sens des verbes forts : vallen = viel, vielen, gevallen, tomber, vangen = ving, vingen, gevangen, attraper, varen = voer, voeren, gevaren, naviguer, vechten = vocht, vochten, gevochten, se battre, verbergen = verborg, verborgen, verborgen, cacher

  • Formes et sens des verbes forts : verbieden = verbood, verboden, verboden, interdire, verbinden = verbond, verbonden, verbonden, relier, verblijven = verbleef, verbleven, verbleven, séjourner, verdwijnen = verdween, verdwenen, verdwenen, disparaître, vergelijken = vergeleek, vergeleken, vergeleken, comparer

  • Formes et sens des verbes forts : vergeten = vergat, vergaten, vergeten, oublier, verkopen = verkocht, verkochten, verkocht, vendre, verliezen = verloor, verloren, verloren, perdre, vermijden = vermeed, vermeden, vermeden, éviter, vertrekken = vertrok, vertrokken, vertrokken, partir

5. Verbes forts de vermijden à weten

Points essentiels

  • Formes et sens des verbes forts :

    • vinden = vond, vonden, gevonden, trouver
    • vliegen = vloog, vlogen, gevlogen, voler
    • vragen = vroeg, vroegen, gevraagd, demander
    • vriezen = vroor, (vroren), gevroren, geler
    • wassen = waste, wasten, gewassen, laver
  • Formes et sens des verbes forts : wegen = woog, wogen, gewogen, peser, werpen = wierp, wierpen, geworpen, jeter, weten = wist, wisten, geweten, savoir, wijzen = wees, wezen, gewezen, montrer, willen = wou/wilde, zouden/wilden, gewild, vouloir

6. Verbes forts de wijzen à zwijgen

Points essentiels

  • Formes et sens des verbes forts :

    • winnen = won, wonnen, gewonnen, gagner
    • worden = werd, werden, geworden, devenir
    • zeggen = zei, zeiden, gezegd, dire
    • zenden = zond, zonden, gezonden, envoyer
    • zien = zag, zagen, gezien, voir
  • Formes et sens des verbes forts :

    • zijn = was, waren, geweest, être
    • zingen = zong, zongen, gezongen, chanter
    • zinken = zonk, zonken, gezonken, couler
    • zitten = zat, zaten, gezeten, être assis
    • zoeken = zocht, zochten, gezocht, chercher
    • zwemmen = zwom, zwommen, gezwommen, nager
    • zwijgen = zweeg, zwegen, gezwegen, se taire

Teste tes connaissances

Teste tes connaissances sur Verbes forts néerlandais avec 10 questions à choix multiples et corrections détaillées.

1. Un élève veut dire qu’il a la capacité de lire en néerlandais, et non qu’il en a la permission. Quel verbe exprime cette capacité ?

2. Quel verbe néerlandais correspond à « prier » ?

Faire le QCM →

Révisez avec les flashcards

Mémorisez les concepts clés de Verbes forts néerlandais avec 10 flashcards interactives.

Que signifie le verbe néerlandais « bakken » ?

Cuire.

Que signifie le verbe néerlandais « bevelen » ?

Ordonner.

Comment se conjuguent « glijden », « graven », « grijpen », « hangen » et « hebben » au passé et au participe passé ?

« Glijden » : gleed, gleden, gegleden ; « graven » : groef, groeven, gegraven ; « grijpen » : greep, grepen, gegrepen ; « hangen » : hing, hingen, gehangen ; « hebben » : had, hadden, gehad.

Voir les flashcards →

Cours similaires

Crée tes propres fiches de révision

Importe ton cours et l'IA génère fiches, QCM et flashcards en 30 secondes.

Générateur de fiches