★ À maîtriser
Compléments
Formes et sens des verbes forts : bevelen = beval, bevalen, bevolen, ordonner, bewegen = bewoog, bewogen, bewogen, bouger, bezoeken = bezocht, bezochten, bezocht, visiter, bidden = bad, baden, gebeden, prier, bieden = bood, boden, geboden, offrir
Formes et sens des verbes forts :
Formes et sens des verbes forts : brengen = bracht, brachten, gebracht, apporter, buigen = boog, bogen, gebogen, plier, denken = dacht, dachten, gedacht, penser, doen = deed, deden, gedaan, faire, dragen = droeg, droegen, gedragen, porter
Formes et sens des verbes forts :
Formes et sens des verbes forts : gaan = ging, gingen, gegaan, aller, genezen = genas, genazen, genezen, guérir, genieten = genoot, genoten, genoten, jouir ou profiter, geven = gaf, gaven, gegeven, donner, gieten = goot, goten, gegoten, verser
Formes et sens des verbes forts :
Formes et sens des verbes forts :
Formes et sens des verbes forts :
Formes et sens des verbes forts : kunnen = kon, konden, (gekund), pouvoir (capacité), lachen = lachte, lachten, gelachen, rire, laden = laadde, laadden, geladen, charger, laten = liet, lieten, gelaten, laisser, lezen = las, lazen, gelezen, lire
Formes et sens des verbes forts : liegen = loog, logen, gelogen, mentir, liggen = lag, lagen, gelegen, être couché, lijden = leed, leden, geleden, souffrir, lijken = leek, leken, geleken, sembler, lopen = liep, liepen, gelopen, marcher ou courir
Formes et sens des verbes forts : meten = mat, maten, gemeten, mesurer, moeten = moest, moesten, (gemoeten), devoir, mogen = mocht, mochten, (gemoogd), pouvoir (permission), nemen = nam, namen, genomen, prendre, ontbijten = ontbeet, ontbeten, ontbeten, déjeuner
Formes et sens des verbes forts : ontvangen = ontving, ontvingen, ontvangen, recevoir, raden = raadde, raadden, geraden, deviner, rijden = reed, reden, gereden, rouler, roepen = riep, riepen, geroepen, crier ou appeler, ruiken = rook, roken, geroken, sentir (odorat)
Formes et sens des verbes forts : scheiden = scheidde, scheidden, gescheiden, divorcer, scheren = schoor, schoren, geschoren, raser, schieten = schoot, schoten, geschoten, tirer (arme), schijnen = scheen, schenen, geschenen, sembler ou briller, schrijven = schreef, schreven, geschreven, écrire
Formes et sens des verbes forts : schrikken = schrok, schrokken, geschrokken, s’effrayer, slaan = sloeg, sloegen, geslagen, frapper ou battre, slapen = sliep, sliepen, geslapen, dormir, sluiten = sloot, sloten, gesloten, fermer, snijden = sneed, sneden, gesneden, couper
Formes et sens des verbes forts : spijten = speet, ----, gesp(e)ten, regretter, spreken = sprak, spraken, gesproken, parler, springen = sprong, sprongen, gesprongen, sauter, staan = stond, stonden, gestaan, être debout, steken = stak, staken, gestoken, mettre (dans)
Formes et sens des verbes forts :
Formes et sens des verbes forts : vallen = viel, vielen, gevallen, tomber, vangen = ving, vingen, gevangen, attraper, varen = voer, voeren, gevaren, naviguer, vechten = vocht, vochten, gevochten, se battre, verbergen = verborg, verborgen, verborgen, cacher
Formes et sens des verbes forts : verbieden = verbood, verboden, verboden, interdire, verbinden = verbond, verbonden, verbonden, relier, verblijven = verbleef, verbleven, verbleven, séjourner, verdwijnen = verdween, verdwenen, verdwenen, disparaître, vergelijken = vergeleek, vergeleken, vergeleken, comparer
Formes et sens des verbes forts : vergeten = vergat, vergaten, vergeten, oublier, verkopen = verkocht, verkochten, verkocht, vendre, verliezen = verloor, verloren, verloren, perdre, vermijden = vermeed, vermeden, vermeden, éviter, vertrekken = vertrok, vertrokken, vertrokken, partir
Formes et sens des verbes forts :
Formes et sens des verbes forts : wegen = woog, wogen, gewogen, peser, werpen = wierp, wierpen, geworpen, jeter, weten = wist, wisten, geweten, savoir, wijzen = wees, wezen, gewezen, montrer, willen = wou/wilde, zouden/wilden, gewild, vouloir
Formes et sens des verbes forts :
Formes et sens des verbes forts :
Teste tes connaissances sur Verbes forts néerlandais avec 10 questions à choix multiples et corrections détaillées.
1. Un élève veut dire qu’il a la capacité de lire en néerlandais, et non qu’il en a la permission. Quel verbe exprime cette capacité ?
2. Quel verbe néerlandais correspond à « prier » ?
Mémorisez les concepts clés de Verbes forts néerlandais avec 10 flashcards interactives.
Que signifie le verbe néerlandais « bakken » ?
Cuire.
Que signifie le verbe néerlandais « bevelen » ?
Ordonner.
Comment se conjuguent « glijden », « graven », « grijpen », « hangen » et « hebben » au passé et au participe passé ?
« Glijden » : gleed, gleden, gegleden ; « graven » : groef, groeven, gegraven ; « grijpen » : greep, grepen, gegrepen ; « hangen » : hing, hingen, gehangen ; « hebben » : had, hadden, gehad.
Importe ton cours et l'IA génère fiches, QCM et flashcards en 30 secondes.
Générateur de fiches